Historie

Kasteel Sterkenburg neemt in het Langbroeker­wetering­gebied een bijzondere plaats in: in tegenstelling tot de meeste van deze kastelen vindt het niet zijn oorsprong in een versterkte (veelal rechthoekige) woontoren die zich ontwikkeld heeft tot buitenplaats, maar was het van oudsher een verdedigingsburcht. Het grondplan van Sterkenburg, ondanks de verbouwingen door de eeuwen heen nog duidelijk te zien, is dat van een polygonale ringburcht, met op de hoek een forse ronde toren.

Het van oorsprong 13e-eeuwse Sterkenburg werd gesticht door het roemruchte en invloedrijke heren van Wulven, bisschoppelijke ministerialen (dienstmannen) die vanaf de 11e eeuw een steeds grotere machts­positie verwierven. Het geslacht Van Wulven was nauw betrokken bij ontginningen, zoals die van het Langbroek, en stond aan de bakermat van vele andere ridder­hofsteden. De bouwheer was hoogstwaarschijnlijk Gijsbrecht van Wulven, ridder, vermeld tussen 1238 en 1250, die “word gelooft het huys te Sterckenborch aengeleght te hebben”. Diens zoon Ernst van Wulven (vermeld tussen 1265 en 1295) zou de bouw van het kasteel hebben voltooid en “voorts voltimmert” hebben. De oudste vermel­ding van Sterkenburg dateert uit 1261, toen het “castrum Langebruch” ofwel “burcht in het Langbroek” door de Utrechtse bisschop Hendrik van Vianden werd over­gedragen aan Otto, graaf van Gelre en Zutphen.

Deze tak van het geslacht Van Wulven zou zich, zoals dat gebruikelijk was, naar zijn bezit noemen en stierf in 1482 in de mannelijke lijn uit met heer Gijsbrecht II van Sterkenburg. Met vooruitziende blik had hij Sterkenburg, dat hij in 1418 in handen had gekregen, al in 1456 aan zijn dochter Catharina geschonken, toen zij in het huwelijk trad met de Gelderse edelman Wouter (Wolter) van Isendoorn.

Sterkenburg, dat in 1536 door de Staten van Utrecht erkend werd als zogenaamde “Ridderhofstad”, zou tot het begin van de 18e eeuw louter door vererving van hand tot hand gaan. Via Mechteld van Isendoorn († 1616), gehuwd met Reinier van Aeswijn (1544-1620), in leven thesaurier-generaal van de Verenigde Provinciën en één van de ondertekenaars van de Unie van Utrecht, vererfde het op het geslacht Van Mathenesse, door het huwelijk van Antonetta van Aeswijn met Gijsbert van Mathenesse in 1666. De 17e eeuw bracht de bezitters van Sterkenburg overigens weinig goeds: in 1646 was de vader van Antonetta (die in 1647 postuum werd geboren), Anthonis van Aeswijn, in het bos bij Sterkenburg vermoord en ook voor het gezin Van Matenesse was weinig geluk beschoren. Tussen 1668 en 1670 werd het hele gezin - twee kinderen, moeder en uiteindelijk vader – achter elkaar ten grave gedragen.

Na enige welhaast gebruikelijke erfenisperikelen (meerdere personen meenden aanspraak te maken op het kasteel) kwam Sterkenburg uiteindelijk in het bezit van Florentina van Mathenesse (1663-1729). In 1725 zag Florentina, douairière van de met schulden overladen Johan baron van Hardenbroek, zich uit geldnood genoodzaakt het te verkopen aan Mr Johan Frederik Mamuchet van Houdringe (1692-1740), telg van een zeer gefortuneerd patricisch geslacht. Via zijn zuster zou het vererven op het geslacht Van Westrenen, een Utrechts regentengeslacht dat Sterkenburg tot 1847 in handen zou hebben.

In de periode 1754-1767 vond één van de meest ingrijpende ver­bouwingen van Sterkenburg plaats, in opdracht van Mr Jan Jacob van Westrenen (1685-1769). De bouwmeester die verantwoordelijk was voor deze renaissance van Sterkenburg was de Utrechtse bouw­meester Jan (Joan) Verkerk, die ook de architect was van het nieuwe gebouw van de Fundatie van de Vrijvrouwe van Renswoude te Utrecht (waarvan Jan Jacob regent was) en voor het fraaie graf­monument van de familie Van Westrenen dat in 1769 in de Jacobi­kerk verrees. Het resultaat van de verbouwing was onder meer een formeel voorplein met aan weers­zijden langgerekte bijgebouwen (koetshuizen, stallingen, dienstverblijven), waarbij het oostelijk koets­huis was geïntegreerd met het in 1626 opgerichte poortgebouw. Een centrale zichtas liep tussen deze symmetrische bebouwing door in zuidelijke richting, een tweede zichtlijn van oost naar west door de poort richting de vijver. In het laatste kwart van de 18e eeuw werd ook een begin gemaakt met de heraanleg van de strakke en formele 17e-eeuwse park- en tuinaanleg in de toen in zwang rakende Engelse landschapsstijl van Lancelot ‘Capability’ Brown.

Nadat Mr Jan Jacob van Westrenen II (1802-1827) ongehuwd te Florence overleed werd Sterken­burg in 1829 bij publieke veiling verkocht. De heerlijkheid bleef wel in de familie en werd gekocht door zijn halfzuster Anna Maria Cornelia van Westrenen (1782-1856), gehuwd met Mr Pieter Anthony Hinlópen (1780-1849). Het echtpaar Hinlópen heeft met name zijn stempel gedrukt door de volledige heraanleg van park en tuinen in Engelse landschapsstijl. Deze aanleg werd omstreeks 1830 uitgevoerd naar een ontwerp van Hendrik van Lunteren (1780-1848), één van de meest prominente landschaps­architecten uit de Nederlandse geschiedenis. Hierbij werd de rechte oprijlaan verlegd naar de huidige, afbuigende dreef (waar­bij het vroeg-17e eeuwse poortgebouw helaas werd gesloopt), werden slingerende wandelpaden aangelegd en werd ook de vijver in een meer ‘organische’ vorm uitgegraven.

Van 1841 tot 1847 werd Sterkenburg verhuurd aan Johanna Maria Kneppelhout-de Gijselaar (1787-1851) uit Leiden. In deze jaren werd de ridderhofstad stelselmatig een groot deel van het jaar bewoond door deze weduwe en haar zoon Johannes (Jan) Kneppelhout (1814-1885), de befaamde letterkundige die vooral bekend is onder zijn nom-de-plume ‘Klikspaan’.

Sterkenburg moet de familie Kneppelhout goed zijn bevallen, want eind 1847 werd de buiten­plaats verkocht aan Mr Karel Jan Frederik Cornelius (Cees) Kneppelhout (1818-1885), die zich dankzij zijn aanzienlijke fortuin volledig kon wijden aan zijn passies zoals kunst, letter­kunde, geschiedenis en jacht. Met Cees Kneppelhout zou voor Sterken­burg een periode aanbreken die als geen ander bepalend is geweest voor de verschijnings­vorm van heden ten dage. De heer Kneppelhout gaf zowel het hoofdhuis als de bijgebouwen (de twee koetshuizen en het tuinmanshuis) een totale facelift, waarbij het kasteel een neogotische uitstraling kreeg. In 1854 volgde nog een tweede verbouwing, waarbij de strakke, neogotische façade van het hoofdhuis een meer eclectisch uiterlijk kreeg. Na verbouwing van de koetshuizen (1854) en het tuinmanshuis (1856) verrezen nog een duiventoren (1863) en een oranjerie (1865). Als sluitstuk werd in 1867 aan de westzijde van het hoofd­huis een vierkante toren gebouwd, zowel als tegenhanger van de ronde toren – dit gaf het huis een evenwichtiger karakter – maar in het bijzonder ten behoeve van sanitaire voorzieningen. De architect was Nicolaas Johannes Kamperdijk (1815-1887). De toen moderne materialen die bij deze verbouwing van Sterkenburg werden gebruikt zijn typerend voor Kamperdijk: terracotta ornamenten, gietzink en portlandcement.

Sinds de jaren ’30 van de 20e eeuw ging de staat waarin Sterkenburg verkeerde gestaag achteruit; rond die tijd werd ook het koetshuis aan de oostzijde gesloopt. De toenemende verwaarlozing werd nog eens bespoedigd door de Tweede Wereld­oorlog, hoewel het kasteel er gelukkig vrij ongeschonden doorheen is gekomen. Van bewoning van het hoofdhuis was geen sprake meer. Eind jaren ’40 werd Sterkenburg in erfpacht gegeven aan de psycho­loog Frans Cornelis Brinkerink (1906-2003), die er een kostschool (Stichting Jeugdland) en onderwijsinstituut vestigde dat er tot het begin van de jaren ’70 gevestigd zou zijn. Het westelijk koetshuis en tuinmanshuis werden in 1946 verbouwd ten behoeve van bewoning en ten dienste van de school. De opleving, met name van park en tuinen, ten tijde van Dr Brinkerink bleek echter van korte duur, mede door een gebrek aan financiële middelen.

In 1970 was Sterkenburg inmiddels geheel in handen gekomen van de kinderen van Jhr Joan Willem Steen­gracht van Oostcapelle en Anna Rutheria Kneppelhout. Zij verkochten het kasteel met enige bijgebouwen (waaronder het in 1976 uitgebrande westelijk koetshuis) en het tuinmanshuis en ruim vijf hectare grond in 1978 aan Hendrik de Groot (1919-2000). De rest van het landgoed Sterkenburg behield de familie Steen­gracht in eigendom, hetgeen tot op heden het geval is. Door deze verkoop werd Sterkenburg voor het eerst in zijn lange geschiedenis opgesplitst, waarbij het kasteel (met de meeste rijks­monumentale onder­delen) voortaan een afzonderlijke buitenplaats zou gaan vormen. Vanaf 1978 tot het begin van de 21e eeuw zou kasteel Sterkenburg en het tuinmanshuis, kamer per kamer, door De Groot aan velerlei lieden van divers pluimage verhuurd worden, hetgeen de staat waarin deze gebouwen verkeerden niet ten goede kwam.

In 2004 werd Sterkenburg door de Stichting De Kiem – rechtsopvolger van De Groot – verkocht aan de huidige eigenaren, die in datzelfde jaar de Stichting Behoud Sterkenburg oprichtten. Onder auspiciën van deze stichting is Sterkenburg tussen 2006 en 2011 zorgvuldig gerestaureerd. De Stichting legt zich intensief toe op het weg­werken van het achterstallig onderhoud van zo’n driekwart eeuw en streeft naar de hoogtijdagen die Sterkenburg in de 19e eeuw kende en biedt de buitenplaats wat het al zo lang nodig had: een ingrijpende, structurele restauratie en een deugdelijk beheer om het ook voor de toekomstige generaties te kunnen behouden.

 

 

disclaimer